Lotte zit in een meetingruimte van een bank. Project lead. Stoelen net te laag, tl-licht net te eerlijk. Ze heeft haar zin klaar. Eén zin. Kort. Juist.
Tom neemt het woord. Zoals altijd.
Hij praat vlot, breed, met die vanzelfsprekende toon alsof zijn ideeën al goedgekeurd zijn vóór hij ze uitspreekt. Lotte voelt haar adem hoog schieten. Schouders omhoog. Ze slikt.
Ze wéét wat er ontbreekt. Ze wil het aanvullen.
Ze doet het niet.
Vijf minuten later zegt Tom bijna haar zin. Iets minder scherp, maar luid genoeg. De leidinggevende knikt. “Ja. Goeie invalshoek.”
Lotte glimlacht mee.
En vanbinnen: au.

Twee weken later staat Tom op een interne sessie “best practices” met… haar idee. Zijn naam op de slide, haar nuance in zijn mond. In de zaal wordt geknikt. Er wordt gelachen op de juiste momenten.
Die avond thuis vraagt haar partner iets eenvoudigs: “Hoe was het?”
Lotte antwoordt: “Oké.”
En dan snauwt ze over afgewassen glazen die verkeerd in de kast staat. Niet omdat die glazen verkeerd staan. Omdat zij leeg is.
In haar evaluatie staat later: “Je mag meer ownership tonen.”
Ze leest het twee keer. Alsof het in de derde keer minder waar zal zijn.
Het scorebord dat je niet ziet
Na diezelfde meeting tikt Lotte een mail naar haar leidinggevende. Ze leest hem één keer. Nog eens. Dan maakt ze een zin zachter. Dan voegt ze een uitleg toe “om het kader te geven”. Dan nog eentje.
Ze kijkt op de klok. 21:47.
Ze verstuurt pas na 22u. “Dan lijkt het minder alsof ik… te gretig ben.”
En dan komt weer die overtuiging naar boven, met schaamte eronder: “Als ik het niet perfect zeg, denken ze dat ik niet op dit niveau hoor.”
Haar duim scrolt door LinkedIn. Tom heeft een post gedeeld over “impact”. Zelfs zijn koffiemok staat zelfzeker op de foto.
In Lotte’s drafts staan drie posts. Stuk voor stuk gewist.
“Te veel.”
“Te persoonlijk.”
“Wie wacht hierop?”
Tom deelt zelfs zijn koffie. Zij durft ‘t niet met haar ideeën.
In haar buik trekt iets samen.
Ik zie dit bij elke cliënt die binnenkomt met “ik wil meer impact”. Ze willen geen impact. Ze willen bewijzen dat ze mogen blijven.
Je brein noemt het “professioneel”. In werkelijkheid is het bang.
Je vergelijkt niet om beter te worden. Je vergelijkt om niet afgewezen te worden.
En als je nu denkt: ja, maar bij mij is het anders…
Dan heb je dit misschien al meegemaakt:
Je zit in een meeting. Iemand zegt iets dat niet klopt. Jij weet het beter. Maar je wacht. Je wacht tot iemand anders het zegt. Zodat jij kan zeggen: “Ja, precies.” Zodat je gelijk hebt zonder het risico. Want als jij het zegt en het voelt verkeerd in de ruimte? Dan sta je daar. Alleen. Zichtbaar.
Of dit:
Je typt een bericht. Leest het. Maakt het korter. Dan weer langer. Dan voeg je een emoji toe. Dan haal je hem weg. Je drukt send. Je checkt meteen of er typo’s in staan. Te laat. Verstuurd. En dan wacht je. Te alert. Te snel. Als de reactie langer duurt dan vijf minuten, denk je: het was te direct. Of te vaag. Of te veel. Of te weinig.
Of dit laatste:
Je wordt gevraagd voor je mening. In een groepschat. Een collega deelt een idee en tagt iedereen: “Wat vinden jullie?” Jij hebt meteen een mening. Een goede zelfs. Maar je wacht. Je wacht tot iemand anders reageert. En als die persoon iets zegt dat lijkt op wat jij dacht? Dan stuur je: “Eens met [naam].” Veilig. Onzichtbaar. Zonder risico.
Dat is het scorebord.
Bij Lotte hangt het niet in een stadion. Het hangt boven haar dagen.
Punten voor snel reageren.
Punten voor niet lastig zijn.
Punten voor alles netjes formuleren.
Punten voor beschikbaar zijn.
Punten voor “rustig blijven”.
Minpunten voor pauze.
Minpunten voor een scherpe zin.
Minpunten voor een grens.
Minpunten voor “ik weet het nog niet”.
Minpunten voor zichtbaar zijn vóór het perfect is.
En als dat scorebord aanstaat, ga je bijna altijd één van twee dingen doen.
Je gaat harder lopen.
Je antwoordt sneller dan nodig. Je legt meer uit dan gevraagd. Je bereidt extra voor “om zeker te zijn”. Je zegt ja om geen punten te verliezen. Je maakt van je werk een bewijsstuk.
Of je verdwijnt.
Je houdt je zin in. Je stelt uit. Je wacht tot het perfect voelt. En dan zie je iemand anders met jouw idee lopen. Je voelt je klein. En je doet alsof het je niet raakt.
Lotte deed ze allebei.
Op kantoor was ze de stille kracht. De betrouwbare. De persoon die dingen oplost zonder drama. Alleen: niemand klapt voor stille kracht. En haar brein maakte daar één harde conclusie van: als het niet benoemd wordt, telt het niet.
Ze werd beter. Ze werd stiller. Ze werd moe.
We vergelijken ons al eeuwen. Dat zit ingebouwd. Jij bent dus niet raar.
Je bent alleen te lang punten aan het sparen voor een veiligheid die nooit komt.
Drie ingrepen die het scorebord onderbreken
Bij Lotte kozen we één plek waar ze altijd scoorde: mails.
Haar patroon was vast: schrijven, herlezen, zachter maken, langer maken, pas sturen als het veilig voelt.
De eerste ingreep was irritant klein. Net daarom werkte hij.
Na 21u: laptop toe. Mail pas morgen.
Geen “nog even”. Geen “ik fix het snel”.
Overdag: schrijf. Lees één keer. Druk send.
Niet herlezen. Niet bijschaven. Niet terugtrekken.
De eerste keer dat Lotte op send drukte zonder herlezen, zat ze drie minuten naar haar inbox te staren. Haar handen trilden.
De reactie kwam. Gewoon: “Thanks, ik kijk ernaar.”
Geen bloedvergieten. Geen puntenaftrek. Alleen haar brein dat moest leren dat de wereld niet instort.
De vierde keer ging het mis.
Ze had “projectplan” geschreven maar “productplan” verstuurd. Haar collega reageerde: “Bedoel je projectplan?”
Lotte typte terug: “Ja, sorry, typo.”
En daar stopte het.
Geen gênante vergadering. Geen “twijfelt ze wel aan haar niveau”-gesprek. Gewoon een typo. Het schuifde voorbij zoals alles voorbijschuift.
En Lotte realiseerde zich iets: niemand telt je fouten behalve jij.
De tweede ingreep ging over meetings. En ja, die voelt spannend.
Spreek vóór Tom.
Niet beter. Niet langer. Gewoon eerder.
Eén zin binnen de eerste tien minuten. Desnoods onbeholpen. Desnoods met een klein bibberke. Eén zin die je niet terugneemt.
Want zodra je wacht, gaat jouw scorebord aan. En dan wordt het moeilijker.
De eerste keer deed Lotte het niet. Te eng.
De tweede keer ook niet. Tom startte meteen.
De derde keer zei ze: “Voordat we verder gaan – ik denk dat we één aanname missen.”
Haar stem trilde. Tom keek op. De leidinggevende zei: “Ga door.”
Ze ging door. Niet briljant. Niet glad. Maar aanwezig.
En dat was genoeg.
Later in die meeting zei Tom iets dat op haar punt leek. Maar deze keer voelde het anders. Omdat zij er al was. Ze hoefde niet te scoren. Ze had al gespeeld.
De derde ingreep was voor na “applausmomenten”. Wanneer iemand anders zichtbaar was, en zij naar binnen klapte.
Na elk applausmoment: schrijf één zin op papier.
“Mijn volgende stap is: ____.”
Niet wat Tom deed. Niet wat jij mist. Eén stap. Jouw stap.
De eerste keer dat Tom applaus kreeg voor een presentatie en Lotte voelde dat bekende samentrekken in haar buik, schreef ze:
“Mijn volgende stap is: mijn analyse van Q4 delen in de teamchat. Morgen. Voor 12u.”
Ze deed het. Geen post. Geen hele presentatie. Gewoon haar analyse. In de chat.
Drie collega’s reageerden. Eén met: “Slim, hier had ik niet aan gedacht.”
Geen staande ovatie. Geen LinkedIn-moment. Maar wel: bewijs dat haar stem telde zonder dat ze Tom hoefde te verslaan.
En voor ’s nachts, wanneer de punten nog rondspoken:
In bed: tien woorden.
Wat beslis ik morgen? Tien woorden. Klaar. Wegleggen.
Dit zijn geen mooie gewoontes.
Dit zijn kleine sabotage-acties tegen je scorebord.
Je scorebord gaat niet weg omdat je het begrijpt. Het wordt stiller omdat je het onderbreekt.
Wat er veranderde
Zes maanden later zit Lotte weer in een meetingruimte. Stoelen nog steeds te laag. Tl-licht nog steeds te eerlijk.
Tom neemt het woord. Zoals altijd.
Maar deze keer wacht Lotte niet tot hij klaar is. Ze wacht tot hij adem haalt. En dan zegt ze: “Ik wil daar op doorgaan.”
Geen perfecte zin. Geen voorbereid statement. Gewoon: haar stem in de ruimte.
Tom knikt. “Ga je gang.”
De leidinggevende kijkt haar aan. Geen oordeel. Alleen aandacht.
En vanbinnen: geen au. Geen punten. Alleen ruimte.
Dat is het verschil.
Niet dat ze nu altijd wint. Niet dat Tom stopt met praten. Niet dat haar evaluaties ineens vol staan met complimenten.
Maar ze speelt niet meer op een scorebord dat niemand ziet.
Ze speelt in de ruimte die er is.
Haar mails gaan uit wanneer ze klaar zijn. Haar ideeën komen naar buiten vóór ze perfect zijn. En soms gaat het mis. En dan corrigeert ze. En de wereld draait door.
Thuis snauwt ze niet meer over de afgewassen glazen. Niet omdat de glazen nu goed staan. Maar omdat ze niet meer leeg is.
En nu jij
Als je dit leest en denkt: “Dit ben ik, maar ik kom er alleen niet uit” – dat snap ik.
Daarom werk ik met mensen zoals jij om de mindset te veranderen die je klein houdt. Niet met mooie woorden. Met kleine, concrete interventies die je scorebord onderbreken.
Want hier is de waarheid: je scoort al genoeg punten.
De vraag is: voor wie tel je ze?
De volgende keer dat iemand anders applaus krijgt en jij krimpt: schrijf meteen één zin: “Mijn volgende stap is…”
De volgende keer dat je “goeie vraag” zegt om tijd te winnen: zeg daarna binnen vijf seconden je echte antwoord.
De volgende keer dat je na 21u nog aan een mail wil prutsen: laptop toe. Morgen.
De volgende keer dat je Tom hoort starten: spreek binnen de eerste tien minuten één zin uit.
De volgende keer dat je in bed punten begint te tellen: tien woorden, wegleggen, slapen.
Dit zijn geen tips. Dit zijn onderbrekingen.
En onderbrekingen zijn het enige wat werkt tegen een scorebord dat altijd aan staat.
Meer inzichten en tips deel ik graag met jou in een wekelijkse mail. Dus wanneer je je realiseert dat je meer uit het leven wil halen, meld je dan nu aan in via deze link omdat je dan elke week een tip krijgt toegestuurd:

Lees verder:
Onbeperkte relaxatietherapie bij je thuis
Perfectionisme maakt je net minder perfect
Gun jij jezelf een loopbaancoach
P.S. Wanneer je dit artikel waardevol vindt, klik dan nu op een van de knoppen hieronder omdat je zo ook anderen inspireert met deze tips en inzichten. Of stuur het door naar één iemand die deze inzichten kan gebruiken. Want zo draag je bij aan een betere wereld. Dankjewel!
