Ze was er zeker van dat ze tekortschoot
Anne stond in de keuken, telefoon in haar hand, en scrollde door Instagram.
Finn sliep eindelijk. Dat had anderhalf uur geduurd. Hij had gehuild, ze had gezucht – één keer, maar ze hoorde het nog – en toen had ze zichzelf gecorrigeerd. Rustig gebleven. Gezongen. Over zijn rug gewreven tot zijn ademhaling zacht werd.
Nu, twee verdiepingen lager, zag ze foto’s van andere moeders.
Uitgerust. Glimlachend. Met kinderen die blijkbaar gewoon… sliepen.
Ze klikte haar scherm uit.
“Ik ben hier gewoon niet goed in,” dacht ze.
En ze geloofde het.

Het oneerlijke brein
Als je naar Anne zou kijken van buitenaf, zou je zien:
Een vrouw die functioneert. Werkt part-time, goed in haar vak, lieve moeder, stabiel huwelijk. Niets aan de hand.
Maar van binnen draait er iets anders.
Elke dag verzamelt haar brein bewijs.
Niet bewijs van wat ze doet. Bewijs van wat ze niet doet.
Finn huilde lang → “Ik kan hem niet troosten”
Ze was geïrriteerd → “Ik ben geen warme moeder”
De afwas stond er nog → “Ik krijg niks voor elkaar”
Ze vergat een mail → “Ik ben slordig geworden”
De goede momenten?
Die tellen niet.
Want die zijn “normaal”. Of “toevallig”. Of “niet bijzonder genoeg”.
En dat is het rare.
Anne weet dat dit niet klopt. Ze is intelligent genoeg om te zien dat ze oneerlijk is tegen zichzelf.
Maar als ze ’s avonds in bed ligt, voelt ze het toch: die zware, stoffige zekerheid dat ze tekortschiet.
Ze had het geprobeerd met affirmaties.
“Ik ben een goede moeder.” “Ik doe mijn best.” “Ik ben genoeg.”
Maar haar brein reageerde zoals een fraudedetector reageert op een vals biljet.
“Leuk geprobeerd. Maar nee.”
Waar het echt over gaat
“Wat zou je zeggen,” vroeg ik haar tijdens onze eerste sessie, “als een vriendin je vertelde wat jij mij net vertelde?”
Anne keek me aan.
“Dat ze onzin praat.”
“En waarom geloof je het dan bij jezelf wel?”
Ze dacht na. Lang.
“Omdat het bij mij… waar voelt.”
En daar zat het.
Haar zelfbeeld was geen mening. Het was een conclusie die haar brein had getrokken op basis van verzameld bewijs.
Alleen: het bestand was corrupt.
Baumeister en collega’s toonden in 2001 aan dat negatieve ervaringen ongeveer drie tot vijf keer zoveel cognitieve impact hebben als positieve. Niet omdat we pessimistisch zijn, maar omdat een gemiste kans evolutionair minder gevaarlijk is dan een gemiste bedreiging.
Als je voorouder vergat waar de mooie bloemen stonden: jammer. Als je voorouder vergat waar de tijger zat: dood.
Ons brein is daarom gebouwd om het negatieve zwaarder te laten wegen.
Maar bij Anne was het uit balans.
Haar interne rechtbank liet alleen bepaalde bewijsstukken toe:
Fouten? Die telden dubbel.
Vooruitgang? Te klein.
Inspanning? Irrelevant.
Succes? Toeval.
Dat is geen objectieve evaluatie. Dat is een weegschaal die scheef hangt.
En je kunt een scheve weegschaal niet overtuigen met positieve gedachten.
Je moet de weegschaal zelf rechtzetten.
Het moment
“Oké,” zei ik. “Geen affirmaties. Die werken niet voor jou.”
Anne knikte opgelucht.
“We gaan je brein niet proberen te overtuigen. We gaan het laten zien.”
“Zien wat?”
“Bewijs. Echt bewijs. Van wie je al bent.”
Ze keek sceptisch. Ik zag de schaamte in haar ogen – dat gevoel van ‘als je echt wist hoe ik ben, zou je dit niet zeggen’.
“Vertel me eens. Wat heb je vandaag gedaan… dat klopt?”
“Vandaag?”
“Ja. Eén ding. Mag klein zijn. Moet wel echt gebeurd zijn.”
Ze dacht na. Ik zag de aarzeling. Het zoeken. Het afwijzen van antwoorden die al kwamen.
“Ik… ik ben rustig gebleven toen Finn huilde. Gisteravond.”
“Vertel.”
“Hij wilde niet slapen. Hij huilde. En ik voelde die irritatie komen, maar ik bleef rustig. Ik zong voor hem. Wreef zijn rug. En na een tijdje sliep hij.”
“Mooi. En wat zegt dat over jou?”
Ze fronste. “Niets bijzonders. Dat hoort toch bij moeder zijn?”
“Ik vroeg niet of het bijzonder was. Ik vroeg wat het over jou zegt.”
Stilte.
“Ik… ik denk… dat ik kan doorademen als het moeilijk is?”
“Ja. En?”
“Dat ik… kan kiezen om rustig te blijven, ook al voel ik me moe.”
Ik knikte.
“Dus als ik het goed begrijp: jij bent iemand die kan volhouden. Die kan zorgen. Die kan kiezen voor rust, ook onder druk.”
Ze keek naar haar handen.
“Zo had ik het nog niet… gezien.”
“Nee. Want je brein slaat dit niet op als bewijs. Het ziet alleen dat je daarvoor gezucht hebt. Maar wat je daarna deed – dat volhouden, dat kiezen voor rust – dat telt ook. Dat is wie je bent.”
Ik gaf haar een opdracht.
Elke dag, twee minuten.
Geen dagboek van tien pagina’s. Geen meditatie. Gewoon dit:
Zoek één mini-moment van de afgelopen 24 uur. Een moment waarop je iets deed dat klopt. Niet indrukwekkend. Wel waar.
Drie stappen:
- Benoem het moment (30 seconden)
- Vraag: wat zegt dit over mij? (60 seconden)
- Voeg toe: en dat is niet toevallig, want… (30 seconden)
“En als ik niks kan bedenken?” vroeg ze.
“Dan zoek je waarschijnlijk te groot. Heb je adem gehaald? Heb je iemand niet meteen teruggeschreven, maar wel binnen een dag? Dat telt ook.”
Ze knikte. Maar ik zag de twijfel.
De val
Vijf dagen later stuurde ze een bericht.
“Het werkte de eerste dagen. Ik vond best makkelijk momenten. Maar vandaag… ik weet het niet. Ik zie alleen maar wat ik fout deed.”
Toen ze de volgende week binnenkwam, zag ik het aan haar lichaamshouding.
“Vertel,” zei ik.
“Ik heb Finn boos toegesproken. Ik heb een deadline gemist. Ik heb de hele middag op de bank gelegen terwijl de was nog in de machine zat. En toen ik ’s avonds in bed lag en aan die oefening dacht…”
Ze zweeg.
“Toen dacht je: vandaag niks.”
“Ja.”
“En wat gebeurde er toen?”
“Ik… schaamde me. Ik dacht: ik kan zelfs deze simpele oefening niet. Ik ben zo negatief dat ik zelfs niks positiefs kan vinden als ik ernaar zoek.”
Daar was het.
De schaamte. Die stem die zegt: het probleem ben jij.
Gilbert beschrijft dit in zijn werk over compassion-focused therapy: bij mensen met chronische zelfkritiek triggert elke mislukking – ook bij een oefening – een threat response. Je brein gaat in gevaar-modus. En in die modus is geen ruimte voor bewijs verzamelen. Alleen voor overleven.
“Oké,” zei ik. “Dus gisterenavond: niks?”
“Niks dat telt.”
“Heb je adem gehaald toen je boos was?”
Ze keek me aan alsof ik gek was.
“Heb je Finn vastgehouden, ook al was je gefrustreerd?”
“Ja maar dat is…”
“Heb je jezelf toegestaan om te voelen wat je voelde? Om op de bank te liggen toen je moe was?”
Stilte.
“Ik… denk het?”
“Vertel me wat je dacht op die bank.”
“Ik dacht: ik zou nu moeten bewegen. Ik zou nu dingen moeten doen. Maar ik kan niet. Ik ben leeg.”
“En toen?”
“Toen bleef ik liggen. En ik voelde me schuldig. Maar ik bleef liggen.”
“Ja. En wat zegt dat over jou?”
Ze keek verbaasd.
“Dat ik lui ben?”
“Of dat je een mens bent die signalen voelt. Die weet wanneer het genoeg is. Die kiest om niet door te gaan als je tank leeg is. Ook al voel je je schuldig. Ook al zegt je brein dat je moet.”
Haar ogen werden vochtig.
“Maar het voelt als opgeven.”
“Nee. Opgeven is doorrennen tot je crasht. Dit is zorgen.”
“Dus dit… telt ook?”
“Ja. Dit telt ook.”
De verschuiving
Wat Anne die dag leerde, was subtieler dan de oefening zelf.
Ze leerde dat haar brein niet alleen vals telde. Het filterde ook.
Het zag “ik was boos op Finn” maar niet “ik hield hem daarna vast”. Het zag “ik lag op de bank” maar niet “ik stopte voordat ik crashte”. Het zag “ik miste een deadline” maar niet “ik heb daarna de mail gestuurd”.
“Vanaf nu,” zei ik, “als je de oefening doet en je denkt ‘vandaag niks’… dan is dat je signaal.”
“Signaal waarvoor?”
“Dat je brein weer filtert. Dat de schaamte weer aan het stuur zit. En dan doe je dit: je zoekt expres het moment dat je het meest wilt afwijzen. En je vraagt: wat zegt dit, als ik eerlijk ben?”
Ze probeerde het die avond.
Het moment dat ze wilde afwijzen: ze had Finn boos toegesproken.
Maar ze dwong zichzelf verder te kijken.
“Wat gebeurde er daarna?” vroeg ze zichzelf.
Daarna had ze zich gecorrigeerd. Had ze tegen hem gezegd: “Sorry, mama is moe.” Had ze hem vastgehouden.
En dat telde ook.
Niet als bewijs dat ze perfect was. Maar als bewijs dat ze kon herstellen.
Hoe het werkt
Toen Anne een maand later terugkwam, zag ik het verschil.
Niet dat ze ineens “zelfzeker” was. Maar de kritische stem was minder luid.
“Ik merk dat ik sneller denk: dit is oké,” zei ze. “Niet geweldig. Gewoon… oké. En dat voelt als genoeg.”
“Hoe doe je de oefening nu?” vroeg ik.
“Kort. Letterlijk twee minuten. Soms in de auto. Soms als Finn slaapt. En soms, als ik vastloop… dan dwing ik mezelf om het moment te vinden dat ik het liefst wil afwijzen.”
“Bijvoorbeeld?”
“Gisteren. Ik scrollde weer op Instagram. En ik voelde die vergelijking komen. Maar toen dacht ik: wacht. Wat deed ik net voordat ik scrollde?”
“En?”
“Ik had Finn in bed gelegd. Ik had hem voorgelezen, ook al was ik moe. Ik had voor hem gekozen, ook al wilde een deel van mij gewoon op de bank ploffen.”
“En toen?”
“Toen besefte ik: ik scroll door andermans highlights. Maar ik tel mijn eigen highlights niet eens mee. Dat is niet eerlijk.”
Ze keek me aan.
“Ik gebruik Instagram nu als reminder. Elke keer als ik begin te vergelijken, denk ik: oké, wat heb ik vandaag gedaan dat ik niet meetel?”
“Dat is slim.”
“Soms vind ik nog steeds niks.”
“En dan?”
“Dan weet ik: ik filter weer. En dan zoek ik naar het moment dat ik wil afwijzen.”
Precies.

De oefening: bewijs van waarde
Hier is wat je vanaf vandaag kunt doen.
Stap 1: Kies één moment (30 seconden)
Denk aan de afgelopen 24 uur.
Zoek één mini-moment waarop je iets deed dat klopt:
Je stuurde een mail die je uitstelde. Je zei nee tegen iets. Je ging toch wandelen. Je bleef rustig in een gesprek. Je maakte iets af. Je liet iets los. Je herstelde na een fout. Je stopte voordat je crashte.
Belangrijk: het moet echt gebeurd zijn.
Niet indrukwekkend.
Wel waar.
Stap 2: Benoem de kwaliteit (60 seconden)
Vraag jezelf: “Wat zegt dit over mij, als mens?”
Voorbeelden:
“Ik ben iemand die verantwoordelijkheid neemt.”
“Ik ben iemand die kan herstellen.”
“Ik ben iemand die voor zichzelf kan zorgen.”
“Ik ben iemand die kan volhouden.”
“Ik ben iemand die leert.”
Maak het klein.
Maak het waar.
Stap 3: Maak het concreter (30 seconden)
Voeg één zin toe:
“En dat is niet toevallig, want…”
Bijvoorbeeld:
“…ik heb dit al vaker gedaan, ook al vergeet ik dat.”
“…ik kies steeds vaker voor wat klopt, ook al voelt het eng.”
“…ik ben iemand die groeit, ook onder druk.”
Klaar.
Als je vastloopt:
Als je brein zegt “vandaag niks” – dat is je signaal dat je weer filtert.
Zoek dan expres het moment dat je wilt afwijzen. Het moment waarop je boos was, moe was, faalde, stopte, opgaf.
En vraag: wat gebeurde er daarna? Of: wat deed ik ondanks dat gevoel?
Meestal vind je daar het bewijs dat je overzag.
De grenzen (belangrijk)
Deze oefening werkt als je brein bewijs verzamelt maar vals telt.
Maar als je brein helemaal geen bewijs meer binnenlaat – als alles grijs is, als je niks meer voelt, als elke gedachte automatisch wordt afgewezen – dan is dit niet genoeg.
Dan heb je meer nodig dan een oefening.
Dat is geen zwakte. Dat is een signaal dat je systeem overbelast is. Depressie, trauma en chronische stress kunnen je waarnemingssysteem zo verstoren dat bewijs verzamelen niet meer werkt.
In die gevallen: zoek professionele hulp. Deze oefening kan een aanvulling zijn, maar geen vervanging.
Drie maanden later
Anne stuurde me vorige week een berichtje.
“Finn had een driftbui in de supermarkt. Lag gillend op de grond. Vroeger had ik me geschaamd, had ik mezelf afgerekend op mijn ‘falende opvoeding’. Nu dacht ik: ik ben hier. Ik blijf rustig. Ik help hem erdoorheen.”
“Toen ik thuiskwam, scrollde ik even door Instagram. Ik zag een moeder met een perfect aangeklede peuter bij de Albert Heijn. En voor het eerst dacht ik: zij post haar highlights. Ik ken mijn hele verhaal. Dat is niet te vergelijken.”
“Geen transformatie. Wel beweging.”
Precies.
Als je dit herkent
Als je merkt dat je zelfbeeld je klein houdt, terwijl je rationeel weet dat je meer kan…
Dan is dat vaak geen motivatieprobleem.
Dat is een oud patroon van druk, bewijsdrang of perfectionisme.
En patronen kun je niet overtuigen.
Maar je kunt ze wel corrigeren.
Niet met grote affirmaties.
Met kleine bewijsstukken.
Twee minuten per dag.
Twee vragen voor jezelf:
Wat heb ik vandaag gedaan dat klopt?
En wat zegt dat over wie ik ben?
En als je brein zegt “niks” – zoek dan het moment dat je wilt afwijzen.
Daar zit meestal het bewijs dat je het hardst nodig hebt.
En als je merkt dat je vastloopt in patronen die groter zijn dan een oefening kan oplossen – patronen van perfectionisme, zelftwijfel, uitstel of bewijsdrang – dan hoef je niet te wachten tot het echt misgaat.
In mijn coaching werk ik daar dagelijks mee: praktisch, helder en zonder omwegen. Met bewezen technieken, kleine stappen en veel herkenning.
Je kunt ook bijsturen terwijl je nog functioneert.
Wil je aftoetsen of coaching (eventueel via loopbaancheques) iets voor jou is?
Stuur me gerust een berichtje.
Bronnen
Baumeister, R. F., Bratslavsky, E., Finkenauer, C., & Vohs, K. D. (2001). Bad is stronger than good. Review of General Psychology, 5(4), 323–370.
Gilbert, P. (2010). Compassion Focused Therapy. Routledge.
Neff, K. D. (2003). Self-compassion: An alternative conceptualization of a healthy attitude toward oneself. Self and Identity, 2(2), 85–101.
Wood, W., & Rünger, D. (2016). Psychology of habit. Annual Review of Psychology, 67, 289–314.
Meer inzichten en tips deel ik graag met jou in een wekelijkse mail. Dus wanneer je je realiseert dat je meer uit het leven wil halen, meld je dan nu aan in via deze link omdat je dan elke week een tip krijgt toegestuurd:

Lees verder:
Onbeperkte relaxatietherapie bij je thuis
Perfectionisme maakt je net minder perfect
Gun jij jezelf een loopbaancoach
P.S. Wanneer je dit artikel waardevol vindt, klik dan nu op een van de knoppen hieronder omdat je zo ook anderen inspireert met deze tips en inzichten. Of stuur het door naar één iemand die deze inzichten kan gebruiken. Want zo draag je bij aan een betere wereld. Dankjewel!
